Baalsbruggermolen

Kerkrade

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                

 

 

Kloosterrade

 

In 1104 lieten drie kloosterlingen waaronder priester Ailbertus van Antoing hun klooster achter zich en vestigden zich in het Land van ’s-Hertogenrade (ook wel Land van Rode). Herzogenrath of Hertogenrade (Dtsl) was in de Middeleeuwen de hoofdstad van het Land van ’s-Hertogenrade. Ze stichtten er een nieuw Augustijnerklooster: Kloosterrade. De crypte werd gebouwd in de jaren 1106-1108 en de bouw van de kloosterkerk waar zij de aanzet toe gaven, kwam in 1209 gereed.

 

De geschiedenis van de abdij over de periode 1104-1157 is neergelegd in een kroniek, de Annales Rodenses, daarin is al snel sprake van een molen. Uit een (niet gepubliceerde) lezing van L. Augustus in 1983, getiteld:  ‘Hernieuwde aandacht voor de Annales Rodenses, het oudste verhalende geschrift uit de abdij Rolduc (1104-1157)’:

 

(..) Graaf Adelbert van Saffenberg verbaasde zich over deze voorkeur en bood een rustiger gelegen oord ter vestiging aan, maar Ailbertus hield aan zijn keuze vast. De plek voldeed aan verschillende voorwaarden die voor de stichter essentieel waren: genoeg hout en water ter plaatse, bouwstenen op niet te verre afstand, ploegbaar land in de directe omgeving en een riviertje in de buurt. Naast de reeds gememoreerde kapel bouwden Ailbertus en zijn gezellen er een hoeve en aan het riviertje de Worm een watermolen.

 

Deze aanpak wijst volgens spreker Augustus niet op de stichting van een kluizenarij maar op het voorbereiden van een agrarisch levende kloostergemeenschap die zich niet naar buiten afsloot en die zich in navolging van de vita apostolica wijdde aan een uiterst sober leven zonder bezit, met nadruk op handenarbeid en armenzorg.

 

Uit 1437 dateren de oudst bekende pachtpapieren. De molen blijkt een banmolen te zijn, ingezetenen zijn verplicht hun graan op deze molen te laten malen. Tot aan einde van de 17e eeuw stond de waterradmolen verder stroomafwaarts langs de beek, daarna kwam de molen op de huidige plek in een nieuw onderkomen. Watermolens waren in de eerste eeuwen van hun bestaan gebouwd van hout of leem (vakwerk) en pas later van baksteen. Van Bussel meldt in zijn standaardwerk ‘De molens van Limburg’  (1991) dat het ankerjaartal 1743 het bouwjaar van de stenen gebouwen aangeeft.

 

 

 

 

Naam

Baalsbruggermolen

Plaats

Kerkrade

Type

turbinemolen

Beek

Worm

Bouwjaar

< 1437 / ca 1670 / 1743 / ca 1867 / 1917

Functie

korenmolen

Molendb

gegevens

Eigenaar

particulier

Foto’s

november 2009

 

 

 

 

 

 

 

 infobord anwb

 

 

 

 

 

Kloostermolen

 

Een abdij is een mannen- of vrouwenklooster van een beschouwende kloosterorde. Aan het hoofd staat de abt of abdis. Om zich te bedruipen hadden abdijen en andere kloosters goederen in bezit (vaak via schenking verkregen) waar producten of inkomsten van ontvangen werden, zoals watermolens.

 

De Baalsbruggermolen was een dergelijke kloostermolen. Andere watermolens in Nederland die bij een abdij hoorden zijn b.v. de Grathemermolen en de Luyensmolen (abdij van Thorn) en de Gennepermolen (abdij van Postel). De Hooydonkse molen, de Commandeursmolen, de molen van Dieteren en de Leumolen zijn voorbeelden van watermolens die eveneeens tot de goederen van een klooster hebben behoord.

 

De Franse bezetter onteigende in 1796 vele rechten en goederen. Heerlijke rechten, kloosters en gilden werden opgeheven, de eigendommen in beslag genomen en openbaar verkocht. Dat betekende het einde van de kloostermolens, de molens kwamen in particuliere handen.

 

 

 

                    

 

 

 

De Franse tijd

 

De Fransen onteigenen in 1796 ook de goederen van abdij Kloosterrade en de watermolen wordt openbaar verkocht. Een kannunik van de abdij doet het hoogste bod.

 

In de koopovereenkomst staat ‘Eenen molen, zoo maal als oliemolen, bestaande uit drie raderen, huis, stal, gebouwen, tuinen en landerijen genaamd de molen van Baalsbruggen’. Maar de kanunnik kan zijn particuliere bezit niet vasthouden en in 1804 wordt de molen doorverkocht aan een naaldenfabrikant uit Aken.

 

 

Meelfabriek

 

De 19e eeuw wordt gekenmerkt door een stoet aan eigenaren. Een schatting van de waarde van de molen aan het begin van de eeuw laat zien dat de molen beschikt over drie waterraderen. De oliemolen, het maalkoppel voor rogge en het maalkoppel voor tarwe worden ieder door een eigen rad aangedreven.

 

Na verkoop in 1866 wordt de molen omgebouwd tot meelfabriek. Het waterrad voor de rogge-maalstenen blijft bestaan, de raderen voor de olie- en tarwemolen verdwijnen. Het eerste rad hing vooraan, de laatste twee raderen hingen bij elkaar en naar achteren. In die tijd loopt het maalwerk goed, er wordt zelfs meel geëxporteerd naar het toenmalige Nederlands Oost-Indië. Opvallend is de waardedaling aan het einde van de eeuw: in 1894 brengt de molen bij een openbare verkoop nog 6400 gulden op, een jaar later 4100 gulden en weer een jaar later 3500 gulden.

 

 

 

                      

 

                         de gekanaliseerde beek Worm, grensbeek tussen Nederland en Duitsland

 

 

Turbine

 

Het waterrad gaat in 1916 verloren bij een extreem hoge waterstand en op de plaats van het waterrad wordt een jaar later een turbine in een turbinekamer geplaatst. De laatste molenaar is Mathieu Huynen die de molen in 1951 kocht. Zijn erven verkopen in 1974 het stuwrecht en de molenbeek wordt rechtgetrokken voor een betere waterafvoer. De in steeds slechtere staat verkerende molen staat vanaf 1991 twaalf jaar lang te koop en wordt tenslotte gekocht door Marga Wolthuis.

 

De mogelijkheden tot het weer maalvaardig maken van de molen worden onderzocht, maar knelpunt is de waterstand. Om de turbine goed te kunnen laten werken zou het peil in de beek een 80 cm hoger moeten zijn, om diverse redenen een onhaalbare kaart. Maar met een verhoging van 40 cm zou er weer een waterrad kunnen draaien.

 

 

 

Links: het turbinehuis, onder water is het ronde gat zichtbaar waar het turbinerad in draaide.

 

Onder: het turbinerad nog in positie (foto: Albert Cox)

 

 

 

 

 

             

 

                                

 

                                    het sluiswerk is verdwenen, het turbinehuis is dakloos

 

 

Bestemming

 

Rond 2004 is een stichting opgericht met het doel de 18e eeuwse watermolen te restaureren en open te stellen voor publiek. November 2008 is er een informatiepunt geopend en de intentie is er in de toekomst slaapgelegenheid te bieden en er horeca te vestigen, de oude molen moet een toeristische trekpleister worden. Als de molen zou gaan draaien zou er groene stroom opgewekt en een educatief centrum gevestigd kunnen worden. Anno 2009 ondergaat het casco van de molen een restauratie.

 

 

 

                                 

 

                                    het voorheen dichtgemetselde asgat van de voormalige roggemolen is weer opengemaakt

                                    en wacht op een waterrad

 

 

 


 

Ansichtkaarten

 

 

 

                

 

                      1979

 

 

 


 

 

Homepagina Watermolens

 

site Leumolen